Wilde narcis

Als vroegbloeiend bolgewas siert de wilde narcis menig voortuin in Rouveen, Staphorst, Lankhorst en IJhorst.

Deze vroegbloeiende voorjaarsbloeier, plaatselijk ‘Tijlozen’ (tieloz’n) genoemd, vallen door hun bleekgele kleur en het nog ontbreken van veel andere voorjaarsbloeiers erg op. Vooral tuinen die in gebruik zijn als boomgaard (streeknaam: goarn) staan er vol mee. Deze tuin van de familie Slager is daar een goed voorbeeld van.

De wilde narcis is erg karakteristiek voor Rouveen, Staphorst, Lankhorst en IJhorst, deze streek kan met recht een ‘bolwerk’ worden genoemd. De afgelopen decennia nemen de aantallen en groeiplaatsen van de wilde narcis in tuinen in de regio Staphorst langzaam maar gestaag af. Modernisering van tuinen en erven - vooral als er nieuwe bewoners intrekken - met de daarbij horende toegenomen frequentie van maaien en het vroege tijdstip van maaien van het gazon speelt een belangrijke rol in de achteruitgang van de soort. Veel bewoners realiseren zich niet dat ze een bijzondere en zeldzame plant in hun tuin hebben staan.

Levenscyclus

De wilde narcis is een bolgewas en bloeit tussen begin maart en eind april en wordt circa 20 tot 30 centimeter hoog. De bloemen zijn alleenstaand en circa 5 centimeter lang. Direct na de winter verschijnen de bladeren bovengronds zodat de fotosynthese kan beginnen om voedsel aan te maken om een bloem te kunnen vormen. Na de bestuiving stopt de fotosynthese en worden de voedingsstoffen teruggevoerd naar de bol ondergronds. Ze planten zich voort door extra bollen aan te maken en door de vorming van zaad.

Wilde narcis, foto: Michiel Poolman

Van wilde plant naar erfplant

De wilde narcissen op de erven en in de bermen in de gemeente zijn nakomelingen van wilde narcissen die vroeger van nature voorkwamen in de omgeving. Ze worden al in de 17e eeuw gemeld door botanicus H. Bruman voor de omgeving van Zwolle. In de regio Staphorst vormden hooilanden met een korte vegetatie op een vochtige, schrale ondergrond het leefgebied waar de wilde narcis vroeger voorkwam. Ook vochtige Elzenbroekbosjes behoren waarschijnlijk tot de natuurlijke groeiplaatsen van de soort. Zulke gebiedjes troffen we tot in het midden van de 19e eeuw aan langs de Reest, het Meppelerdiep en waar de Olde Maten overging in het gebied bij de buurtschap De Velde. Zeer vermoedelijk groeiden ze ook op wat vochtige, leemhoudende gronden richting Nieuwleusen en het Ruitenveen. Deze gronden waren destijds eigendom van boeren uit Rouveen en Staphorst en omdat het zulke markante planten zijn, die het nieuwe voorjaar lijken aan te kondigen, heeft men ze vroeger uitgestoken en in de eigen tuin weer aangeplant. Een andere reden waarom ze uitgestoken werden, is dat de plant giftig is voor vee. Van nature herkent het vee de bloeiende plant als giftig, wanneer ze echter gedroogd in het hooi aanwezig zijn, wordt het niet door vee herkend en vormt het een gevaar.

Boomgaard wilde narcis, foto: Michiel Poolman

Bollenbank

Omdat de wilde narcis op de natuurlijke groeiplaatsen verdwenen is als gevolg van intensivering van landgebruik vormen de tuinen in de gemeente Staphorst nu de belangrijkste groeiplaats. De wilde narcis hoort thuis bij het unieke aangezicht van de Staphorster streek, samen met de karakteristieke boerderijen en de klederdracht. Daarom zet de Natuurbeschermingsvereniging “IJhorst- Staphorst e.o.” zich samen met Landschap Overijssel en de Gemeente Staphorst in voor het behoud van deze voor de gemeente Staphorst zo karakteristieke voorjaarsbloeier. Er is onder andere een bollenbank opgericht. Hier kunnen bollen die vrij komen bij de herinrichting van tuinen worden opgenomen. Er wordt vervolgens geprobeerd deze bollen weer een goede plek in de streek te geven, wat bijdraagt aan het behoud van deze soort.

Lees meer
Verspreiding wilde narcis Overijssel