De fascinerende geelster

Een zonnige dag in maart of begin april is het beste moment om de geelster te bewonderen.

Weidegeelster in gazon - foto: Benno te Linde

Wil je een bloeiende geelster zien? Een zonnige dag in maart of begin april is het beste moment om ernaar op zoek te gaan. De geelster bloeit vroeg, kort en niet elk jaar, dus een beetje geluk heb je er wel bij nodig.

“De geelster is een kwetsbare inheemse plant die al eeuwen weet te overleven in het landschap, ondanks het gerommel van de mens”, vertelt vegetatieonderzoeker Benno te Linde. “Juist daarom vind ik het plantje zo fascinerend. Bijna alle soorten geelsterren - behalve de bosgeelster - zijn bolgewassen die zich niet door zaadvorming kunnen verspreiden. Ze worden van nature verspreid door overstroming van rivieren en beken die de bolletjes meevoeren. Op de hoger gelegen plekjes langs de grote rivieren zitten ze vaak al eeuwenlang op dezelfde plek in de grond. Dat zijn ook de plekken waar later dorpen en akkers werden aangelegd. Daardoor zie je de geelsterren nu vaak op begraafplaatsen, onder oude bomen, op oude akkertjes, in wegbermen en in tuinen van oude landgoederen. Alles is door de eeuwen heen veranderd, maar de bolletjes van de geelster zitten er nog steeds in de grond.”

Soorten in Overijssel

Geelsterren behoren tot de leliefamilie. Er zijn vijf soorten geelsterren waarvan er vier voorkomen in Overijssel: weidegeelster, akkergeelster, bosgeelster en schedegeelster. De eerste twee komen vooral voor in het rivierengebied, de laatste twee op de zandgronden. De vijfde soort is de spitse geelster. Die is vernoemd naar de spitsvormige bloemblaadjes. Benno te Linde: “De spitse geelster is pas in 2003 in Nederland ontdekt onder de oude lindebomen op landgoed Leyduin bij Bloemendaal. Het verhaal gaat dat de geelster daar wellicht geplant is door de plantkundige Carl Linnaeus, die in de buurt heeft gewoond.”

Kwetsbaar

Helaas hebben alle geelsterren het zwaar, juist omdat de meeste soorten geen zaad vormen. Daar komt bij dat rivieren en beken tegenwoordig minder vaak uit hun oevers treden. Broedbolletjes kunnen vrijwel alleen nog verplaatst worden, doordat vee en wild de grond vertrappen, doordat mollen ze naar boven werken of doordat mensen schoffelen in hun tuin. Ook zijn geelsterren kwetsbaar, omdat ze vaak groeien binnen de bebouwde kom en weinig in beschermde natuurgebieden. Mensen leggen tegels in hun tuin, brengen worteldoek aan en planten bodembedekkers onder oude bomen. Ook storten ze bijvoorbeeld dikke lagen grind op de begraafplaats. Zonder te weten dat ze de kwetsbare geelsterren beschadigen. “De geelsterren zijn gevoelig en eigenlijk is het een wonder dat ze nog voorkomen”, zegt Benno te Linde. “Dus heb je een geelster in je tuin, wees er voorzichtig mee. Gewoon met rust laten. En zet je je huis te koop? Vertel het dan door aan de volgende bewoner.” Zo kan de geelster in alle rust op dat plekje blijven staan, als overblijfsel van het landschap dat er ooit was.

Zoek de verschillen

Akkergeelster, schedegeelster, bosgeelster en weidegeelster

Akkergeelster - foto: Benno te Linde

Akkergeelster

De akkergeelster is te herkennen aan de behaarde bloemsteel en de behaarde buitenzijde van de bloemdekbladen. Helaas bloeit de akkergeelster niet vaak en door het grasachtige blad valt hij niet op. Lange tijd werd daardoor gedacht dat de akkergeelster was uitgestorven. Tot er opeens weer exemplaren werden gevonden, met name op begraafplaatsen en kerkhoven de ‘dodenakkers’. De akkergeelster komt voor in het rivierengebied, op de hoger gelegen plekken die droog bleven bij een overstroming.

Schedegeelster - foto: Jacob van der Weele

Schedegeelster

De schedegeelster is te onderscheiden van de andere geelsterren, doordat het stengelblad deels om de stengel gevouwen is als een soort schede. De bladen zijn een beetje buisvormig. De schedegeelster werd in 1901 ontdekt door mr. Beernink, een onderwijzer uit Dinkelland, en is voornamelijk te vinden langs oudere beekdalbosjes.

Bosgeelster - foto: Mark Zekhuis

Bosgeelster

De gele bloemblaadjes van de bosgeelster hebben een groene achterkant. De bosgeelster is de enige geelster die zaden vormt. Het zaad zit in een zogenoemd mierenbroodje. De mier neemt dit mee naar het nest waardoor het zaad zich verspreidt. De bosgeelster staat bij voorkeur in bossen die vaak door beken overstroomd worden. Ze doen het bijvoorbeeld goed bij meanderende beekjes.

Weidegeelster - foto: Benno te Linde

Weidegeelster

Het blad van de weidegeelster is wat grijziger en de bladeren hebben meestal een roodbruine bladvoet. De bloemdekbladen hebben vaak een wat spitse top. De twee stengelbladeren staan tegenover elkaar. De weidegeelster staat vaak bij eeuwenoude boerderijen die op de hoogste delen in het rivierengebied werden gebouwd.

Tip!

In maart/april kun je geelsterren zien bloeien. Een prachtig moment voor een foto! In steden als Zwolle (Sassenpoort, park Eekhout) of Deventer (Singelplantsoen, Worpplantsoen) heb je de meeste kans ze te zien