Heidelandschap, een thuis voor bijzondere planten en dieren

Heidelandschap, Mark Zekhuis

Bij een heidelandschap denken we meestal aan een zee van heidestruiken die in augustus en september voor prachtige paarse vlakten zorgt. Maar een heidelandschap is meer dan dat; zandige plekken, kruidige stukken, heideakkertjes, jeneverbesstruwelen, vennen en bos wisselen de paarse heide af. Met deze variatie is een heidelandschap een thuis voor bijzondere planten en dieren die je elders niet vindt. Een specifieke biodiversiteit, die we graag in stand houden. Want de planten en dieren die hier leven, hebben nog maar weinig geschikt leefgebied in Nederland over.

Door de mens gemaakt
Een heidelandschap is een cultuurlandschap, een landschap door de mens gemaakt. Honderden jaren geleden benutten bewoners dit landschap op allerlei manieren. Schapen, geiten en koeien mochten er grazen, er werden plaggen gestoken om te gebruiken als dakbekking of turf als brandstof, maaisel werd aan het vee gevoerd en later werd ook zand en grind van de vlaktes gehaald. Vanaf de late steentijd werden grafheuvels opgeworpen waarin een urn of een lichaam werd begraven. Vanaf het einde van de 16e eeuw ging ook het handelsverkeer over de heide. Zwaarbeladen wagens maakten diepe karrensporen in de bodem. Als zo’n weg onbegaanbaar was geworden, werd de route verlegd.

Behoud en uitbreiding van de heide

Het beheer van onze heideterreinen doen wij al tientallen jaren met schaapskuddes. De schapen voorkomen dat de heide dichtgroeit met gras en boompjes en grazen ze lang op één plek, dan wordt de begroeiing korter. Daarnaast zijn schapen goed voor de biodiversiteit; ze verspreiden zaden in hun vacht en ze zorgen met poepplekken en looppaden voor variatie in de heide. Hier vaart de natuur wel bij. Op de Lemelerberg hebben wij een eigen kudde van zo’n 200 schapen. Deze kudde is echter te klein om dit oppervlak aan heide goed te begrazen. De huidige kudde wordt daarom geholpen door een ingehuurde kudde van zo’n 300 schapen.

Lees hier alles over onze schaapskudde

Een (bio)divers heidelandschap

De natuur in Nederland heeft te lijden. Door bijvoorbeeld de hoeveelheid stikstof en ammoniak verzuurt de natuur en groeien heidevelden dicht met gras. Dit gras verdringt de heide, waardoor, als we niets ondernemen, de heide uiteindelijk zal verdwijnen. Daarom doen natuurorganisaties er alles aan om de vergrassing, en het anderszins dichtgroeien, van de heide tegen te gaan. Dit gebeurt met de schaapskudde die het gras kort houdt en door het handmatig verwijderen van boompjes en struiken. Maar dit gebeurt ook door geregeld stukken heide te branden, te maaien of te plaggen. Een gevarieerde heide is aantrekkelijk om te zien, maar is ook een goed leefgebied voor verschillende insecten, reptielen en vogels.

Adder

De adder is één van de drie slangensoorten die in ons land voorkomen; de andere twee zijn de gladde slang en de ringslang. De adder is de enige gifslang van Nederland. Hij kan zo’n 70 centimeter lang worden en heeft een donkere zigzagtekening op zijn rug. Hij eet muizen, kikkers en vogels. Veel heeft hij niet nodig: zes tot tien prooien per jaar. Adders komen voor in heide- en hoogveengebieden en soms ook op open plekken in bossen, en dan het liefst op overgangen van droog naar vochtig terrein. In Overijssel kom je de adder tegen in o.a. Aamsveen, Beerze en het Reestdal.

Zandhagedis, Mark Zekhuis

Zandhagedis

Zand of droge hei. Dat is waar de zandhagedis van houdt. In ons land leeft hij in de duinen en binnenlands in heidegebieden. De grootste hagedis van ons land – hij kan tot 21 centimeter lang worden – is een zonliefhebber. Bij mooi weer is hij actief en jaagt hij op insecten en spinnen. In het voorjaar hebben de mannetjes felgroene flanken. De vrouwtjes begraven hun eieren op onbegroeide plekken, zodat de zon ze kan ‘uitbroeden’. Doordat er te veel stikstof in natuurgebieden terechtkomt, zijn zulke kale, zandige plekken vaak dichtgegroeid met mos en gras. Bovendien zijn veel heidevelden te klein en geïsoleerd. Vergroten en verbinden van heidevelden, zoals op de Manderheide gaat gebeuren, zijn nodig om inteelt te voorkomen en zandhagedissen goede overlevingskansen te bieden.

De boomleeuwerik

Boomleeuwerik

Wanneer je op de heide of stuifzand in Overijssel een Leeuwerik ziet met een zéér korte staart, dan is dat vrijwel zeker een boomleeuwerik. De boomleeuwerik kenmerkt zich door een korte kuif, opvallende lichte wenkbrauwstreep en roestrode wang. De boomleeuwerik houdt van schraal begroeide plekken en vegetaties. Dit zijn vaak de droge en zure plekken zoals zandverstuivingen en heideterreinen. Op deze plekken is weinig vegetatie, waardoor hij zich gemakkelijk kan verplaatsen over de grond, zijn voedsel kan vinden en gevaar ziet aankomen (door vrij zicht). Een veldleeuwerik zit daarentegen op de iets rijkere plekken met wat hogere vegetatie.

Heideontwikkeling in het kader van Natura 2000

Veel van de heideterreinen van Landschap Overijssel zijn onderdeel van Natura 2000. Het ontwikkelen en beheren van de heide is hier een heel specifiek doel. Het gaat hier om de Lemelerberg, het Boetelerveld, Dal van de Mosbeek, Wierdense Veld, Vassergrafveld en Bergvennen. Op de Lemelerberg loopt een kudde Veluwse heideschapen die haar werk nu kan blijven doen.

Lees hier alles over Natura 2000

Steun Landschap Overijssel

Overijssel is een schitterende en afwisselende provincie. Van de natuur kun je altijd genieten. Zelfs als je in de stad woont is natuur dichtbij. Dat is niet vanzelfsprekend, daar werken duizenden mensen hard aan, vaak met onze hulp. Samen maken we Overijssel mooier. Help je ons mee?